29. Dorp in de Randstad

Delft 1968-1974

foto huis delfgauwIn oktober 1968 aanvaardde Leo voor vijftig procent van zijn tijd een beroep naar Delft. Voor de andere vijftig pro­cent was hij secretaris van de Doopsgezinde Zendingsraad.

Delft had geen eigen pastorie. Er werd een woning aan­ge­kocht in Delfgauw, een dorpje vlak buiten Delft en be­horende tot Pijnacker. Delfgauw is niet meer dan een kruis­punt van twee polder­dijken. De hoofdweg loopt west-oost, van Delft naar Pijnacker. Haaks hierop een polderweg, die aan de noordkant eindigt in de Delftse Hout en aan de zuidkant in de Ackerdijkse plas­sen. Langs deze dijken liggen de boerderijen en de tuin­derijen. In het centrum de winkels, de school, de kerk en de bushalte. Het mini­mum dus voor een leefbaar dorp.

Tegenover ons huis lagen de tuinderijen met hun rijen waren­huizen van glas. Men kweekte er drie gewassen per jaar: sla, komkommers en tomaten. Deze teelten waren zó belangrijk, dat in de nieuwbouw­wijk de straten naar deze groenten ge­noemd werden.

Bij zonsopgang en zonsondergang stookten de tuinders de kas­verwarming op en aangezien er een slecht soort stookolie gebruikt werd, daalden er vanuit de hoge schoorsteenpijpen wolken kleine oliedruppeltjes op Delf­gauw neer. Op het was­goed veroorzaakten zij bruine vlekjes, die er niet meer uit­gingen. Het was dus zaak om het wasgoed tijdig binnen te halen… De buitenboel werd spoedig vettig smerig en in de bladeren van de tuin­planten brandde de olie kleine gaatjes! Bij zuidwesten­wind werd dit alles nog gekruid met de geu­ren van de Europoort. In deze agrarische omgeving kwamen we in aanraking met een forse milieuverontreiniging!

Nu wij niet meer in een duidelijk herkenbare pastorie woonden en bovendien van een klein kerkje van een onbekend soort waren, maakten de kinderen, die in Delft op school gingen, van de gele­genheid gebruik om als beroep van hun vader op te geven: secre­taris van een instelling. Dat was een neutraal beroep en zij kregen geen verdere opmerkingen. Zij wilden niet als dominees­kind worden aangemerkt.

Wij woonden een paar jaar op Delfgauw, toen de weg naar de begraaf­plaats werd verbreed. Op de hoek moest een woning worden afgebroken. In dit huis, waarin een hervormde kerk­voogd gewoond had, zat een gevelsteen met een Christus­monogram. De steen dreigde tot puin te worden, maar Leo redde hem en vroeg de plaatselijke aannemer om de steen uit het huis te halen en in onze gevel te metselen. Dit ge­beurde. Toen de timmerman klaar was, bekeek hij zijn werk en zei: ‘’Ziezo, die zit muurvast. De steen is van Delfgauw en blijft van Delfgauw. Daar zorg ik voor.”

In 1974 vertrokken wij en het huis werd weer verkocht. De steen bleef echter in de gevel achter en zit er nu nog, een blijvend merk­teken uit de tijd dat dit huis de woning van het doopsgezinde dominees­gezin was.


Deze column verscheen oorspronkelijk op 25 mei 1991 in het

logo Algemeen Doopsgezind Weekblad

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.