9. De stier en de eieren

Staveren 1949-1953

stierVerscheidene leden van de gemeente hadden een boeren­bedrijf. Eén van de boerinnen nodigde mij uit haar boerderij te komen bekijken. Op een mooie september­middag fietste ik naar de boerderij, die over het spoor in de Noordermeer lag. Eerst ging ik over een asfaltweg en later over een smal paadje door het land. Ik moest twee hekken passeren, die gelukkig open stonden. Het paadje was goed berijdbaar en zo kwam ik na een prettig tochtje op de boerderij.

Eerst dronken we gezellig koffie met touwtje-klonten, die knapten zo lekker als de hete koffie erop geschonken werd. We praatten wat en ik vertelde dat ik voor mijn trouwen op het Ministerie van Landbouw gewerkt had en graag het bedrijf wilde zien. Ik kreeg een hele rond­leiding met de indeling van het huis, de melkkelder, de opkamer e.d.

Op het bureau van de boer lagen de zogenaamde kalver­­kaarten, de kaarten van het rundveestamboek, waarop de kalveren werden uitgetekend. Ik kreeg een oud exemplaar mee en toen ik vele jaren later in Delft biologieles gaf, heb ik de leerlingen een kalver­kaart laten invullen.

Na het huis volgde een wandeling om de boerderij. Daar wa­ren de boer en zijn knecht net bezig met een koe en een stier, die niet erg wilde. De boerin vond dit kennelijk geen geschikt gebeuren voor een jong predikants­vrouwtje: zij trok me mee naar het kleinvee. De lamme­tjes en de kippen waren haar afdeling. Ik kreeg uitleg over zogenaamde kerkenlammen. Dit waren lammetjes, voor de gemeente bestemd. De boerin ver­zorgde ze en als ze later voor de slacht verkocht werden, was de op­brengst voor de gemeente. Ook werd zo soms een fok­schaap voor de gemeente apart gezet.

Tenslotte kwa­men we in het kippenhok. De boerin haalde zes mooie lichtbruine ei­eren uit het leghok. “Wat zijn eieren toch mooi,” zei ik.
Dit streelde de boerin en prompt gaf ze mij de zes eieren cadeau. Daarna gingen we door de mooie schone stal weer het huis in.

Toen ik vertrok, stond ik voor de vraag: hoe vervoer ik de ei­eren? Een fietstas had ik niet bij me en eierdozen waren nog niet uitgevonden, maar ik had een rood zomer­jasje aan met grote zakken. De eieren werden stuk voor stuk in kranten­papier gepakt en in elke zak kwamen er drie. Als ik heel voor­zichtig reed, zouden de eieren wel heel thuis komen.

Welgemoed ging ik op weg. Het eerste hek bleek nu gesloten. Er moest een ‘omstap’ genomen worden. Met de eieren in mijn zak kon ik de fiets niet tillen, dus zette ik de fiets tegen het hek, trok heel voorzichtig mijn jasje uit, legde het op de grond en droeg toen de fiets om het hek. Dan ging het jasje weer aan, dat was een hele toer; gelukkig hadden de eieren het overleefd!

Maar toen ik weer op de fiets zat, ontdekte ik dat ook het tweede hek gesloten was en dat daar vlakbij een stier stond! Wat nu? Op veilige afstand stapte ik af en be­dacht dat het dier wel vast zou staan. Bovendien zou de boer het paadje wel vrijgehouden hebben en zou de stier wel niet tot het hek kun­nen komen.

Al met al een griezelige toestand. Ik legde mijn fiets neer en zocht een kuiltje op voor de eieren, want dat aan- en uit­trek­ken van mijn jasje was een heel gedoe. Toen dacht ik opeens aan het rood van mijn jasje, maar reali­seerde me dat niet de kleur, maar gewapper een stier onrustig maakt. Met mijn fiets aan de kant van de stier liep ik uiterst kalm naar het hek. De stier keek me aan, snoof wat, maar verzette geen poot. De fiets ging om het hek en zelf liep ik via de omstap weer terug. Opnieuw rustig langs de stier.

Ondertussen had men op de boerderij mijn penibele situatie ontdekt en de knecht kwam op de fiets aanzetten om de zaak te redden. Hij reed recht op mijn nest eieren af.
“Mijn eieren, pas op de eieren!“ riep ik en begon te ren­nen.
De stier snoof vervaarlijk. De knecht omzeilde mijn nest op het nippertje en zei: “Wie legt er nu eieren midden in de wei?“
Hij hield de stier kalm. Ik stopte de eieren heel omzichtig weer in mijn zakken en reed rustig zonder verdere brok­ken naar huis. Ik was blij dat ze alle zes nog heel waren.

De zusterkring was een mooi verhaal rijker.


Deze column verscheen oorspronkelijk op 19 augustus 1989 in het
logo Algemeen Doopsgezind Weekblad

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *