44. Gebed voor de trein

Sappemeer 1974-1978

willibrordus sappemeerTegenover ons huis staat de rooms-katholieke kerk. De paro­chie is al enige jaren vacant. De pastorie wordt bewoond door een aantal vrouwelijke religieuzen. Eén van haar is pastoraal werkster en admini­stratrice van de parochie.
Op een morgen, begin december 1975, komt deze zuster langs­fietsen. Ik houd haar aan, want ik heb enige mede­delingen over de aanstaande kerstzangdienst.
”Ik heb weinig tijd want vandaag is onze congregatie­vergadering in Utrecht en ik moet ruim tijd nemen om er te komen.”
Er rijden bussen tussen Assen en Hoogeveen, want in het eenzame ontginningsgebied bij Wijster staat al twee dagen een trein – gekaapt…

Ik wens haar een goede reis en behouden terugkeer. Na twee da­gen kaping weet iedereen in het noorden wel of er beken­den in de trein zitten. Voor zover ik weet zijn daar geen gemeente­leden bij. We hebben al een aantal bezorgde tele­foontjes gehad of bij ons alles in orde was – Leo gaat vaak voor de zendingsraad en ik voor zusterkringvergaderingen naar het westen. Maar wij zijn beiden thuis.

Dan ga ik zoals elke morgen even in de kerk kijken. Is alles in orde? Vooral de gaskachels vragen aandacht, want zij floepen spoedig uit als de wind op de afvoer staat. Ook enige planten moeten verzorgd worden.
Terwijl ik bezig ben, gaat de kerkdeur open en twee kinderen, van zo’n acht of tien jaar, komen binnen.
“Is dit een kerk?” vraagt de jongen. “Kun je hier ook bidden?”
“Ja natuurlijk,” antwoord ik ietwat verwonderd door de recht­streekse vraag.
“Onze kerk is dicht en bij de pastorie wordt niet opengedaan,” zegt het meisje. “Wij hebben oma beloofd te bidden.”
“Is je oma dan ziek?” vraag ik.
“Nee, maar zij kan niet lopen en daarom komen wij bidden.”
“Voor je oma?”
“Nee, voor buurman… want die zit in de trein! Buurvrouw is erg bang. Oma wil dat wij drie keer Wees Gegroet bidden en één keer Onze Vader. Wij moesten zuster vragen ons hierbij te helpen.”
“Dan zal ik jullie wel helpen met het Onze Vader.”
“Maar waar moet je hier bidden? Er zijn geen altaar en kaar­sen.”
Dan leg ik voor in de kerk een aantal kussentjes neer en over een tafeltje leg ik de blauwe hoofddoek van Maria uit het kerstspel, daarop de eerste adventskaars en een bijbel. Zo heb ik een soort liturgisch centrum gemaakt.
“Ik weet dat God ons hier ook hoort als wij bidden.”

Wij knielen alle drie neer en de kinderen bidden heel eerbiedig drie keer “Wees gegroet Maria… Moeder van God, bid voor ons in het uur van de dood. Amen.”
Dan zeg ik regel voor regel het Onze Vader en zij herhalen het. Tot slot vraag ik God of Hij de mensen in de trein nabij wil zijn en buur­man weer behouden thuis wil brengen.

Als wij opstaan, vraagt het meisje: “Nu komt buurman zeker gauw weer thuis?”
“Ik denk van wel, we hebben er toch om gebeden?”
De kinderen gaan weg en ik heb veel om over na te denken.

Tien dagen later is alles voorbij en is er een einde aan de kaping gekomen. Dan blijkt dat er doden onder de reizigers gevallen en daarbij is… buurman!
Zodra ik dit weet, vlucht ik de kerk in. Hier hebben wij vol ge­loof voor buurman gebeden en dit gebed is niet verhoord! God, waarom? Gij liet de kinderen tot U komen en ver­hoorde hun gebed niet! Een antwoord hierop heb ik nog steeds niet.


Deze column verscheen oorspronkelijk op 15 augustus 1992 in het

logo Algemeen Doopsgezind Weekblad

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *